Excerpt for De Ontmaskering by , available in its entirety at Smashwords

This page may contain adult content. If you are under age 18, or you arrived by accident, please do not read further.










De Ontmaskering is een uitgave van Tinteling FEM

Copyright © 2017 Tinteling Romance

Auteurs: Tamara Haagmans, Lily Frank & Kate Paris


Tinteling Romance is een onderdeel van

Meesterlijke Teksten & Uitgaven

www.tintelingromance.com

tintelingromance@gmail.com

Twitter: @tintelingbooks

ISBN: 9781370182695

Smashwords Edition


Omslagontwerp: German Creative

Omslagfoto: Deposito Foto’s




Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op welke wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever en/of auteur.

Dit is liefde

Tamara Haagmans






♥ Proloog ♥



‘Maar ik wil helemaal niemand meenemen!’ Ik weet dat ik heel geërgerd klink maar ik begrijp gewoon echt niet waarom het zó moeilijk te begrijpen is. ‘Ik kom gewoon alleen. Net zoals ik op het blaadje heb aangegeven dat ik heb opgestuurd. Weetjewel? Dat papiertje waarop je moest invullen of je alleen kwam of iemand meenam!’

Ik hoor wat gesputter aan de andere kant van de lijn en dan is het stil. Ik overweeg even of ik gewoon helemaal zal afzeggen. ‘Anders nog iets?’

Na een ontkennend antwoord neem ik afscheid en hangt ze de telefoon op.

‘Wat deed je bot,’ merkt Ellen op. Ze luisterde toevallig mee via Skype.

‘Omdat het gewoon nergens op slaat,’ bries ik. ‘Het is 2015 en ze doen alsof het nog de jaren vijftig is. Dat je nergens heen kunt zonder dat je een partner hebt. Alsof je alleen maar recht hebt om aan het fornuis te staan en verder nergens.’ Ik weet dat ik overdrijf, maar ik erger me er zo onwijs aan. Of misschien is het wel meer. Misschien vind ik het idee dat ik alleen naar mijn middelbare schoolreünie moet gaan vreselijk teleurstellend.

Ellen en ik zijn al vriendinnen zo lang ik me kan herinneren en elke dag als ik van mijn werk kom, heb ik net tijd om mijn schoenen uit te doen en neer te ploffen voor zij al belt via Skypeen we samen onze dag bespreken. Als er iemand weet dat ik meer dan genoeg mannen heb gehad om te weten dat de juiste voor mij gewoon nog niet voorbij is gekomen, dan is het Ellen wel.

‘Je moet je niet zo opwinden,’ zegt ze. Ja, zij heeft makkelijk praten! ‘Wat kan het jou nou schelen dat de rest van je klas wel een partner heeft of een roedel kinderen die ze overal achter zich aan meeslepen? Dat de hele wereld het doet, wil nog niet zeggen dat jij het ook moet doen.’

Ze slaat de spijker op z’n kop. De hele wereld doet het, alleen ik niet. En zij doet het ook trouwens pas sinds kort, sinds ze haar vriend leerde kennen. Iets waar ik ook wat mee te maken had trouwens. Als ik me namelijk niet had laten omkopen om juist niet met haar mee op vakantie te gaan, dan was het nooit wat geworden tussen die twee. Dan had zij nu lekker depressief met me mee kunnen kletsen. In plaats daarvan is ze walgelijk gelukkig.

‘Nou dan ga je toch gewoon niet? Wat kan het jou schelen? Je mist die mensen vast niet.’ Ineens begint ze te giechelen en ik weet al hoe laat het is. Het duurt maar twee seconden en dan komt het: ‘Maar lieverd, ik moet gaan. Iemand anders wil ook een beetje aandacht...’

Ik gun haar echt alle geluk van de wereld, serieus, maar zelfs ik krijg braakneigingen als ik zie hoe walgelijk romantisch die twee zijn. Zijn hoofd duikt op achter Ellen en hij zwaait. ‘Ik ga haar ontvoeren, we gaan ergens een hapje eten. Ze is morgenmiddag weer helemaal van jou!’

Er is nog net te zien hoe hij haar gepassioneerd kust en dan lukt het haar om haar laptop dicht te gooien voor ik ze ergere dingen zie doen.


Ik blijf nog wat surfen op internet. Dan klinkt het alsof er een olifant kopstoten tegen mijn deur geeft. Het volgende moment een roffel. Iemand die met twee handen tegen mijn deur slaat. Zo te horen heeft de olifant vreselijke haast.

‘Kalm aan, ik kom eraan,’ grom ik voor me uit als ik naar de voordeur loop.

Als ik de deur opendoe, zie ik eerst helemaal niets. Pas als ik een meter naar beneden kijk, zie ik haar staan. Een blond meisje met vlechtjes met zo te zien een lotenboekje in haar handjes. Of ik een lot wil kopen voor de loterij van de scouting.

‘U kunt een parasjuutsprong winnen,’ lispelt ze. Doordat ze twee tanden mist spuugt ze een beetje op me.

Aan de overkant staat haar vader, ver genoeg weg om het kind het idee te geven dat zij de lootjes alleen verkoopt maar dicht genoeg in de buurt om buren te laten zien dat hij er is. Hij knipoogt naar me.

‘Ik zal even kijken of ik centjes heb,’ zeg ik tegen het kind. Ik weet niet eens of een kind van die leeftijd het nog wel over ‘centjes’ heeft of gewoon over geld, want hoe oud zal ze helemaal zijn? Zes? Zeven? Ik gris mijn portemonnee van het dressoir. Laten we hopen dat een lot niet meer dan vijf euro kost want dat is het enige dat ik contant in huis heb.

De bel gaat nog een keer. Het kleine krengetje heeft niet veel geduld. Met een paar grote stappen bereik ik de deur en geef er een ruk aan. Ik steek het biljet van vijf euro naar voren. ‘Hoeveel kan ik hiervoor kopen?’

Het kind kijkt me wanhopig aan en gilt dan maar over haar schouder naar haar vader. ‘Hoeveel lootjes voor een briefje van vijf?’

Hij steekt drie vingers op en als ze met haar kleine vingertjes de briefjes losscheurt langs de geperforeerde lijn, zie ik zelf het bedrag ook op de papiertjes staan. ‘Als je me drie lootjes geeft van 1,50 mag je de 50 cent die nog overblijft zelf houden.’

Ze glundert als ze me de briefjes overhandigt en even geniet ik van het gevoel dat ík die brede lach veroorzaakt heb.

‘Dank u wel en ik hoop dat u wint,’ roept ze voor ze weg huppelt, haar vlechtjes wapperend in de wind.

‘Een mooie man om mee te nemen naar die reünie zou niet verkeerd zijn,’ mompel ik tegen mezelf, ‘maar dat zal wel geen prijs zijn.’ Ik zie haar vader nog net glimlachen en een hand naar me opsteken als ik de deur dicht laat vallen. De lootjes frommel ik in mijn portemonnee en vergeet ze meteen weer.

Terug naar mijn laptop dan maar. De knipperende cursor lacht me uit. Alsof hij weet dat ik het niet heb doorgezet. Het idee van een datingsite speelt al een tijdje door mijn hoofd en ik heb zelfs al een account aangemaakt. Toen ik het moest activeren, durfde ik al niet meer. Bang dat iemand me zal herkennen of zo, ik weet het niet. Ik klikte de mail in elk geval weg en probeerde te bedenken hoe ik op korte termijn een geweldige, succesvolle en interessante kerel zo ver kon krijgen dat hij met me mee zou gaan en dan ook nog doen of hij mijn vriend is.

De hoop dat ik op korte termijn nog een echte vriend krijg, is eigenlijk wel nihil. Ik hou van mannen en mannen houden van mij, maar op de een of andere manier is de liefde altijd maar tijdelijk. Na een paar weken gaan ze me vervelen en dan verander ik gewoon zelf in een man en bel ik ze niet meer. Soms heb je van die volhouders die contact blijven zoeken, maar daar heb ik geen last meer van sinds ik heb ontdekt hoe ik die moet blokkeren. Op momenten zoals deze baal ik er wel van. Helaas is er niets aan te veranderen. Er zit niets anders op dan gewoon alleen gaan. Ik kan altijd nog zeggen dat mijn vriend arts is en dat het welzijn van zijn patiënten belangrijker is dan de reünie van zijn vriendin.

Ik heb nog twee maanden, probeer ik mezelf moed in te spreken. Tegen die tijd zal me vast een briljante oplossing zijn ingevallen.




♥ 1. ♥

Een maand later


De reünie komt steeds dichterbij en hoe stoer ik ook tegen Ellen heb geroepen dat ik wel alleen zou gaan, betrap ik mezelf er steeds op dat ik blijf nadenken over wie ik zou kunnen meeslepen. Ik denk er zelfs even kort over om iemand in te huren, om het zo maar te noemen.

Met Pretty Woman in mijn achterhoofd en dat zulke dingen nooit goed aflopen en altijd uitkomen, verwerp ik het idee en laat me met een diepe zucht op de bank vallen om voor de zoveelste keer weg te zwijmelen bij de film met Richard Gere en Julia Roberts. Hij had haar tenminste nog nodig om indruk op zijn zakenrelatie te maken. Ik hoef alleen maar een paar klasgenoten ervan te overtuigen dat ik een leuk leven heb en daar heb ik geen man-hoer voor nodig.

Wat ik wel nodig heb is iets te eten. Toevallig weet ik dat mijn keukenkastjes leeg zijn en de winkel te ver weg. Het duurt dan ook maar een paar seconden voor ik mezelf ervan overtuigd heb dat ik wel een pizza verdien. Zo eentje met extra kaas en met barbecuesaus in plaats van tomatensaus. Het water loopt me al in de mond bij de gedachte en het pizzavisioen is genoeg om me meteen weer van de bank te laten springen en mijn portemonnee te pakken. Ik heb twee dagen geleden nog gepind en met een beetje geluk heb ik nog genoeg geld over om niet opnieuw naar de automaat te hoeven.

Zoals altijd kost het me even tijd om te zoeken waar ik het geld heb gestopt. Als ik wisselgeld krijg, duw ik dat standaard in het eerste beste vakje dat openstaat en dat is bijna nooit het vakje dat de keer erna ook open staat. Achter het ritsje waar ik twintig euro verwacht zit iets anders. Gekleurde stukjes papier. Verbaasd trek ik ze erachter vandaan. Het zijn de lootjes die ik een tijdje geleden heb gekocht van dat ongeduldige scoutingmeisje. Net als ik ze wil verfrommelen om ze weg te gooien valt mijn oog op de datum en de website die erop staan. De trekking was vorige week en je kunt online opzoeken of je iets gewonnen hebt. De vrolijke letters schreeuwen me toe. Een vakantiebon of een waardebon van bloemenwinkel ‘Het Boeketje’. Ik heb nog nooit van m’n leven iets gewonnen en dat zal nu niet anders zijn.

Als ik eindelijk alle cijfers van het eerste lootje correct heb ingevoerd komt er een knipperend zandlopertje in beeld. Het knippert een keer of tien en dan verandert de tekst in: ‘Helaas, niets gewonnen.’ Het tweede lootje geeft dezelfde melding en ik verwacht bij het derde lootje geen verrassingen meer. Tot mijn verbazing begint het beeld na de knipperende zandloper te verkleuren, komen er ballonnen in beeld en het logo van de scouting met eronder de tekst: ‘U BENT EEN WINNAAR!’ Er wordt gevraagd of ik contact op wil nemen met een eronder weergegeven telefoonnummer, zodat ik kan horen wat mijn prijs precies inhoudt. Fijn.

Het is geen 0900-nummer maar je zult zien dat ik aan een of ander abonnement vastzit van de Vriendenloterij wanneer ik het bel. Ik geloof dat ik onderhand meer lidmaatschappen heb afgesloten (per ongeluk natuurlijk, want wie wil er nou vrijwillig met zijn hoofd op tv en horen dat je een groot geldbedrag hebt gewonnen?) dan dat ik ooit gewonnen heb.

Toch wint mijn nieuwsgierigheid het van de angst om weer ergens aan vast te zitten. Ik werp een snelle blik op de klok. Het is acht uur ’s avonds en ik vind dat je om die tijd best nog iemand kunt bellen.

Het telefoonnummer op het scherm ziet eruit als een privénummer en er staat niet bij dat het bellen tijdens kantooruren moet gebeuren. Voor ik me kan bedenken grijp ik de telefoon en toets het nummer in. Als ik na vijf minuten het gesprek beëindig, grijns ik.

Ik wist het! Weer zo’n trucje. Of ik even langs wil komen morgenmiddag bij de scouting. Ik ben blijkbaar net op tijd want morgen hebben ze de grote prijsuitreiking bij het scoutinggebouw. Nee, de mevrouw aan de andere kant van de lijn wilde me niet vertellen wat ik gewonnen had, maar wel dat ik het niet zou willen missen en dat ik zeker moest komen. Mijn favoriete besteding van een zaterdag. Tussen andermans kinderen gaan zitten, wachten tot mijn nummer aan de beurt is en dan een of andere Aldi-wijn mee naar huis nemen. Waarom ik dan toch heb gezegd dat ik kom, is me ook een raadsel.




♥ 2. ♥



De volgende middag ben ik een uur te vroeg bij de scouting. Ik zoek een plaatsje in het midden van de rijen opgestelde stoeltjes en wacht op wat er gaat komen. Om me heen zitten schattige scoutingmeisjes met hun ouders. Zo schattig dat ik nog voordat de uitreiking begint, al zin heb om hard gillend naar buiten te rennen en naar huis te gaan. Vreselijk. En dan heb ik het niet alleen over al die kleine kinderen die maar kakelen en hun moeders die een wedstrijdje doen wie de meeste make-up op heeft of wie zich in het kortste rokje heeft weten te persen.

Aan de prijsuitreiking zelf lijkt geen einde te komen. Alsof de hele lokale gemeenschap een prijs gesponsord heeft, alleen om mij te pesten. Van de tien blikken soep van de Spar op de hoek tot de cadeaubon voor een kilo drop van de drogist.

Na dik een half uur is de helft van de zaal voorzien van een in folie ingepakt pakketje en nog steeds is mijn nummer niet omgeroepen. Misschien was het wel een misverstand, gisteren aan de telefoon. Misschien kan ik beter gewoon naar huis gaan.

‘En dan is het nu tijd voor de hoofdprijs,’ kirt de perfecte scoutingmoeder die de presentatie op zich heeft genomen. Dat zul je dus net zien, dat ze mijn prijs zijn vergeten om te roepen. Zo voorzichtig als ik kan schuif ik mijn stoel naar achteren. Als ik opschiet, ben ik nog ruim op tijd thuis voor mijn lievelingsserie en kan ik met een kop thee op de bank gaan liggen, lekker onder mijn deken.

‘Om de prijs uit te reiken is hier Patrick!’ Haar stem stijgt samen met haar enthousiasme, want op het moment dat Patrick met een uitvergrote waardebon het podium op komt, klinkt ze als Minnie Mouse op helium.

‘Pardon, mag ik er even langs?’ zeg ik tegen een vader met een klein kind op zijn schouders, terwijl ik tussen de stoelendoor schuifel. Aan het einde kijk ik even naar het podium en... Wauw! Gewoon, wauw. Daarboven, op dat geïmproviseerde podium, een meter of vijftien bij me vandaan staat hij. Adonis. God. Of, volgens Minnie Mouse: Patrick.

Ik ben duidelijk niet de enige die onder de indruk is, te zien aan de verhitte gezichten overal om me heen. Ik ben wél de enige die niet één of meerdere kinderen aan mijn arm heeft hangen en dus maak ik mezelf wijs dat ik het daarom, zelfs met mijn slonzige haar en gemakkelijke kleding, op kan nemen tegen de tot in de finesse gekapte en gemanicuurde moedertjes met hun gezicht perfect in de plamuur.

‘Ik heb me laten vertellen dat het winnende lot verkocht is door Kayra!’ Minnie Mouse begint als een razende te klappen en iedereen valt in en klapt mee. Ik ook. Voor de vorm, want mijn ogen kleden Patrick uit. Wat de prijs ook is, ik zou die graag inruilen als ik hém dan mee naar huis mag nemen.

Midden in het gangpad blijf ik staan en zie plots mijn scoutingmeisje samen met haar vader trots naar het podium lopen.

‘Kayra? Wil jij het nummer op dit lootje opnoemen?’ Minnie duwt het zichtbaar opgelaten kind, dat duidelijk niet gewend is aan zoveel aandacht, het lot in haar handjes. Patrick staat erbij te grijnzen. Minnie steekt de microfoon onder de neus van Kayra.

‘Sjeven!’ lispelt ze.

Mijn eerste cijfer is ook een zeven.

‘Nul.’

Dat klopt ook.

‘Fvierg!’

Langzaam dringen de cijfers tot me door. Zeven, nul, vier, negen. Als ze nu een negen noemt heb ik gewonnen. En Kayra heeft het winnende lot verkocht, dat kan niet anders dan mijn nummer zijn... Toch?

‘NEGEN!’ Ze gilt het enthousiast in de microfoon. Bijna net zo enthousiast als ik mijn arm in de lucht zwaai, met het blaadje met de cijfers erop in mijn hand gekneld.

‘Komt u maar naar voren,’ kraait Minnie Mouse.

Patricks blauwe ogen lijken een gat te branden in mijn simpele jurkje uit de uitverkoop van H&M. Ik denk dat ik gewoon te weinig aandacht heb gehad van het mannelijke geslacht of zo, want het zweet breekt me uit als ik door het gangpad loop en via het trapje het podium op klim. Ik sta nog steeds een beetje te verdrinken in Patricks ogen als ik merk dat iemand tegen me praat.

‘...sprong, beschikbaar gesteld door het bedrijf van Patrick.’

Een sprong? Wat voor sprong? En dan begint het me te dagen. Dat kleine stemmetje aan mijn deur die het over een parachutesprong had. Verschrikt ruk ik mijn ogen los van het bovenlichaam van Patrick en ik zie wat op het karton in zijn handen staat.

TEGOEDBON VOOR EEN TANDEMSPRONG!

Ik ben ineens een beetje misselijk. Kayra wipt van het ene been op het andere en ik zie dat haar vader ook staat te zwaaien als een debiele zeehond die z’n trainer met een visje aan de kant heeft ontdekt. Hij is overduidelijk ook enthousiast.

‘Goh,’ weet ik uit te brengen in de microfoon die ik onder mijn neus krijg, ‘wat leuk.’ Ik pijnig mijn hersenen om er nog iets uit te persen dat me niet op een of andere idioot doet lijken, maar het wil niet lukken. Twee woorden achter elkaar zetten en uitspreken lijkt het maximum te zijn.

Om me heen breekt applaus los en als de scoutingmoeder het podium opkomt om iedereen te vertellen dat dit het einde was en te bedanken voor hun aanwezigheid, sta ik nog steeds met de kartonnen waardebon in mijn handen aan de zijkant van het podium.

‘Je hebt geluk,’ zegt Patrick even later als ik met een plastic bekertje aanmaaklimonade in de ene en een wafel in de andere hand aan de geïmproviseerde bar sta. Die wafel is vast ook zelfgebakken door de moederbrigade.

‘Geluk?’

‘Je kunt morgen al springen, als je wilt,’ zegt hij met een knik naar de bon, die tegen mijn benen staat. ‘Er heeft iemand afgezegd en eerlijk gezegd kan ik wel wat afleiding gebruiken.’

Het lijkt erop dat hij met me flirt. Niet dat ik daar zoveel verstand van heb, maar ik denk het wel. ‘En jij denkt dat ik je die afleiding wel kan geven?’

Hij knikt. ‘Maar doen dan?’

Ik denk even na. Of nou ja, ik doe of ik nadenk. ‘We have a deal. Waar ik moet ik heen en hoe laat moet ik er zijn?’




♥ 3. ♥



De nacht is extreem snel voorbij gegaan. Ik keek nog even wat ik aan zou trekken en ineens was het al twee uur. En dat terwijl ik al zo vroeg heb afgesproken. In mijn gedachten ben ik alle mogelijkheden om onder de sprong uit te komen, al nagegaan. Misselijk. Ziek. Bril-vergeten-en-dan-zie-ik-niets. Hoogtevrees. Op allemaal heb ik de zin ‘misschien kunnen we naar mijn huis gaan om wat te drinken?’ laten volgen, terwijl ik met mijn lippen een pruilmondje maak.

Ik heb al de grootste plannen met Patrick, variërend van een etentje samen tot een rondleiding door mijn huis die natuurlijk helemaal per ongeluk eindigt in de slaapkamer.

Zelfs als ik in de auto zit op weg naar de plek waar we hebben afgesproken, ga ik door met excuses verzinnen en suggesties bedenken. Misschien kan ik hem zelfs vragen of hij met me mee naar de reünie wil gaan en wil doen of hij mijn vriend is. Ik bedoel, ik weet wel zeker dat ik een paar jaloerse krengen de ogen uit zal steken en het is natuurlijk wel heel stoer om te zeggen dat we elkaar hebben leren kennen bij het parachutespringen. Niet meer twijfelen! Ik ga het hem gewoon vragen, straks, als we veilig en wel weer op de grond staan dan. Niet als ik nog moet. Stel je voor dat hij ja zegt en dat we dan te pletter vallen voor het zo ver heeft kunnen komen.

Te pletter vallen...

Je kunt gewoon te pletter vallen.

Het is maar goed dat net op dat moment een parkeerplaats voor me opdoemt, anders was ik omgedraaid en terug naar huis gereden.

Patrick staat me al op te wachten. In een lichtblauwe overall ziet hij eruit als een verpakt koekje om in te bijten. Zoals hij daar nonchalant tegen een elektriciteitskast staat aangeleund, met zo’n houding van ‘ik weet dat ik lekker ben en ik weet dat jij dat ook vindt’. In de verte staan twee vliegtuigjes, Het hele tafereel zou zo van een poster afkomstig kunnen zijn, zo’n plaat boven het bed van een pubermeid.

Ik strijk mijn skinny broek nog even glad en baal nog een keer van het advies dat ik makkelijke kleding aan moest trekken. Ik verlang in stilte naar een rokje, een jurkje, iets dat sexy en vrouwelijk is en waarmee ik echt indruk op hem kan maken. De drie knoopjes van mijn truitje staan open en gunnen hem een blik op mijn decolleté. Daar moet ik dan maar mee werken, vandaag.

Snel stap ik uit en loop op Patrick af. Mijn hakken zakken een beetje weg in het gras en een lichte afkeur kleurt zijn blik als hij me opneemt.

‘Met die schoenen kun je echt niet springen! Ik had toch gezegd dat je makkelijke kleding aan moest doen?’

Ik kijk twijfelend naar beneden. De hakjes onder mijn schoenen zijn nog geen vijf centimeter hoog. Dat zíjn toch gewoon makkelijke schoenen?

‘Maakt niet uit, ik zal je zo meteen voorstellen aan Jonne en die heeft vast nog wel ergens een paar stevige schoenen liggen. Je ziet eruit of je dezelfde maat hebt als zij.’

Ik probeer een beetje te flirten maar het mislukt jammerlijk. Hij heeft nog niet één blik op de gleuf tussen mijn borsten geworpen en hij is knorrig en chagrijnig.

‘Als ik niet gewonnen had, dan had ik dit waarschijnlijk nooit van mijn leven meegemaakt,’ begin ik met een zwoele stem en ik knipper nog eens extra met mijn wimpers. ‘En die broek moet uit.’

Zo! Hij laat er geen gras over groeien. Over direct gesproken! Maar mij hoor je niet klagen. Als ik zo om me heen kijk, dan zie ik eigenlijk nergens een plekje waar we alleen zouden kunnen zijn, maar hij kent het hier natuurlijk beter.

‘Laten we eens gaan kijken of we ergens een overall voor je kunnen vinden,’ onderbreekt hij mijn zondige gedachten.

Pardon? De verwarring moet van mijn gezicht te lezen zijn. ‘Wat moet ik met een overall?’ Ik vraag het voorzichtig, want ik wil hem natuurlijk niet afschrikken. Wie weet kickt hij wel op vrouwen in een overall. Zodat hij het kledingstuk knoopje voor knoopje open kan maken, bijvoorbeeld.

Patrick kijkt op. ‘Omdat je niet in die strakke broek kunt springen en omdat het daarboven nogal koud is. En voor de veiligheid. Je krijgt ook nog een helm en een bril en als je geluk hebt, andere schoenen.’

Ik volg Patricks blik naar een van de gebouwtjes op het terrein. Er komt een meisje aanlopen dat dezelfde overall draagt als hij. Ze heeft een veeg van het een of ander op haar wang. Haar haren draagt ze in een staart en ze heeft een bandana rond haar hoofd gebonden.

‘Jonne!’ brult Patrick veel harder dan nodig is. ‘Kijk eens of je ergens nog een paar fatsoenlijke schoenen hebt en geef ze aan…’ Hij kijkt me vragend aan. Ik realiseer me weer eens te laat dat ik blijkbaar niet de onuitwisbare indruk heb achtergelaten die ik hoopte. ‘Haar,’ maakt hij zijn zin dan maar af. Daarna beent hij met grote stappen weg, in een moeite door zijn telefoon uit zijn zak halend. Nog voor hij uit het zicht is verdwenen, hoor ik hem in het toestel schreeuwen.

‘Trek je maar niets van hem aan,’ zegt Jonne die inmiddels naast me staat. ‘Zijn vrouw kan elk moment bevallen en hij mag de lucht niet in. Hij is een beetje chagrijnig en in plaats van naar huis te gaan, gaat hij hier staan snauwen.’

Het valt haar zo te zien niet op dat ik ineens sprakeloos ben. Ik moet nog even bijkomen van haar zeer nonchalant geformuleerde informatiedump. Geen wonder dat hij niet eens naar me keek. Een vrouw... en ook nog hoogzwanger. Nou, tot zover dus mijn mooie plannen.

Dan pas dringt door wat Jonne nog meer vertelde. ‘Zei je nou dat hij niet de lucht in gaat? En ik dan?’

Dat zul je net zien! Win ik eindelijk iets en dan gaat het niet door. ‘Dat had hij ook wel even mogen laten weten, dan had ik niet helemaal hierheen hoeven komen.’

Jonne lacht breeduit. ‘Hij is niet de enige die het kan hoor, ik ben ook gediplomeerd instructrice en hoewel je misschien liever in zijn armen had gehangen, geloof me maar als ik zeg dat die van mij ook heel goed volstaan, hoor.’ Ze werpt me een vette knipoog toe en weer ben ik even sprakeloos. ‘Dus, wat zeg je ervan? Zullen we eens kijken waar we dat mooie lijf van jou mee kunnen bedekken?’

Ik sta wat sullig erbij en ik knik. Mooi lijf? Zo koud als Patrick was, zo warmbloedig is deze Jonne volgens mij. En erg... Erg... Ja, wat eigenlijk? Bubbelig. Dat is het eerste woord dat in me opkomt als ik haar nakijk terwijl ze wegloopt. Haar hele lichaam lijkt te bewegen als ze loopt en alles schudt en wiebelt. Niet omdat ze dik is, dat het vetrolletjes zijn of zo, maar omdat ze erg beweeglijk is. Ze lijkt zo iemand die geen minuut stil kan zitten en de hele dag in beweging moet zijn. Aan haar lichaam te zien is dat trouwens het geval. Ik zie nergens vet teveel. Ze ziet er afgetraind en fit uit.

Net op dat moment kijkt ze over haar schouder en wenkt me. ‘Kom je nog? We hebben niet de hele dag de tijd. We have a plane to catch!’

Als een mak lammetje strompel ik achter haar aan door het natte gras, op weg naar een loods, om mijn skinny van mijn benen te pellen, mijn lijf te bedekken met een overall en mijn schoenen te vervangen. Een diepe zucht, dat is het enige waar ik nog tijd voor heb en dan versnel ik mijn pas, achter Jonne aan. ‘Wacht op mij!’


Voor ik het weet zit ik met geleende schoenen en een blauwe overall in een vliegtuig dat met een hels kabaal is opgestegen en zit ik me af te vragen of er zoiets is als een APK voor vliegtuigen. Dit lawaai kan nooit goed zijn.

‘Doe je dit al lang?’ roep ik naar Jonne en hoop maar dat mijn geschreeuw het vliegtuigkabaal overstemt. Ik weet dat het klinkt als een verschrikkelijk oubollige openingszin of versierpoging, maar ik moet praten, dat is de enige manier om mijn zenuwen onder controle te krijgen. Volgens mij heeft ze me niet gehoord want ze controleert nog steeds allerlei riempjes en materiaal en kijkt afwisselend uit het linker en het rechter raampje. Ik verhef mijn stem iets. ‘Hoe lang doe je dit al?’

Eindelijk draait ze zich om. Ik weet niet of het zo verstandig is om haar te storen bij iets dat er zo belangrijk uit ziet, maar ze beloont me met opnieuw een brede lach als ze zegt: ‘Elke keer voelt weer alsof het de eerste keer is. Altijd andere mensen, andere omstandigheden, maar ik doe het nu ongeveer drie jaar.’

Dat zou eigenlijk een opluchting moeten zijn voor mij, maar het duiveltje op mijn schouder kan alleen maar in mijn oor fluisteren: ‘Dat wil niet veel zeggen, als ze er eentje per jaar doet dan heeft ze er nog steeds maar drie gedaan.’ Ik kan me niet inhouden. ‘En hoeveel sprongen heb je gedaan?’

Ze draait zich weer om en komt dit keer dichterbij. Jonne legt haar hand op mijn schouder. ‘Beetje zenuwachtig? Dat is echt nergens voor nodig. Ik ben heel goed in wat ik doe en het is nog nooit misgegaan.’

Vanuit de kleine cockpit klinkt een stem. ‘Jonne? Kun je even komen kijken?’

Ze knipoogt naar me als ze de gordel aan haar overall los klikt van het bankje waar we op zitten om naar de cockpit te lopen. Misschien heb ik geluk en zegt de piloot dat ze niet mag springen, maar het lijkt er niet op. Ze draait zich om voor ze de drie meter naar de cockpit aflegt.

‘En ik heb ongeveer tweehonderd sprongen gemaakt, dus je hoeft je echt niet druk te maken.’

Dan ben ik alleen.




♥ 4. ♥



Mijn hart gaat als een razende tekeer. Ik geloof niet dat ik ooit in mijn leven ergens zoveel spijt van heb gehad als ik nu heb van het kopen van dat lot. ‘Met een cadeaubon van de Blokker was ik ook gewoon blij geweest, hoor,’ mompel ik in mezelf.

Net op dat moment komt Jonne weer terug. ‘Je ziet een beetje groen, gaat het wel?’

Ik besluit dat ik me niet wil laten kennen. ‘Natuurlijk wel. Ik denk dat het gewoon komt door de turbulentie.’ Nog voor de zin helemaal mijn mond uit is, heb ik al spijt. Er staat geen zuchtje wind, de lucht is strakblauw en de zon schijnt zelfs.

Jonne zegt niets over mijn leugentje. ‘Laten we even alles nalopen, zodat we zeker weten dat vandaag alles soepel verloopt, want misselijk zijn door de turbulentie is natuurlijk al erg genoeg.’

Met het schaamrood op de kaken laat ik haar alles controleren en luister ik naar een heel verhaal van veiligheidswaarschuwingen, wat ik wel en wat ik niet mag doen, waar ik wel en waar ik niet op moet letten en als ze afsluit met ‘ik denk dat het dan nu ongeveer tijd is’, raak ik toch een beetje in paniek.

‘Nu al?’ Ik herken mijn eigen stem niet, zo zacht en piepend klinkt hij.

‘Ik ben bij je en ik zorg ervoor dat je helemaal in orde weer beneden komt. Straks ben je zo blij dat je het gedaan hebt, geloof me nou maar.’

Er zit niet veel anders op dan haar te geloven. Jonne staat op en ze wenkt me met haar vinger. Mijn benen weigeren. Ze willen gewoon niet. Mijn benen zijn het ook met me eens dat we gewoon blijven zitten en naar beneden gaan met het vliegtuig in plaats van aan een lapje stof met een paar touwen eraan, vastgeketend aan het lijf van een andere vrouw.

‘Kom op, Lisa! Je wil toch niet straks thuis vertellen dat je zo ver bent gekomen en dat je toen niet meer durfde?’

Ik zou niet weten aan wie ik het moet vertellen. Misschien aan Ellen, maar als ik gewoon niemand iets vertel, hoef ik ook niet te vertellen dat ik niet gesprongen heb.

Jonne begint aan riempjes te friemelen en aan ringetjes en aan allerlei andere dingen die aan mijn overall vastzitten. Ze trekt ingewikkelde knopen aan en ze maakt haar eigen haakjes en riempjes vast aan de mijne. Dan fluistert ze zachtjes in mijn oor. ‘Ik ga ervoor zorgen dat je dit nooit meer vergeet. Laat mij al het werk doen en leun jij gewoon achterover. Je zult niet weten wat je overkomt.’

Die woorden jagen rillingen over mijn rug. Niet omdat ik zo opgewonden ben over de sprong, maar omdat het ongeveer dezelfde woorden waren die mijn eerste vriendje tegen me zei, vlak voor hij me op de achterbank van zijn moeders auto ontmaagde op de parkeerplaats van de bioscoop, ergens na sluitingstijd. Het is raar dat je dat soort dingen na al die jaren nog zo goed weet. Iets dat toch zo teleurstellend is geweest maar dat je de rest van je leven niet meer vergeet en dat zich weer laat zien op het moment dat je op het punt staat wél een hoogtepunt mee te maken in je leven. Mijn mond is droog, mijn handen trillen en er zit een knoop in mijn maag. Dapper knik ik.

‘Weet je nog wat ik heb gezegd?’ Haar adem streelt over mijn oor en blaast wat plukjes haar in mijn gezicht.

‘Mijn lichaam als een boog,’ mompel ik. ‘Als jij het zegt mijn armen wijd en dan genieten.’ Ik herhaal stap voor stap alles wat ze me eerder heeft uitgelegd en als ik even niet oplet, staan we ineens voor de deur. Ze gespt mijn helm vast en controleert nog een keer elk riempje van het harnas en de parachute op haar rug. Dat stukje stof moet weerhouden dat we allebei neerstorten en te pletter slaan...

‘Nu gaat het echt gebeuren!’ roept Jonne. Ze schuift met een ruk de deur aan de kant. Meteen slaat de wind in mijn gezicht. Dat zal wel zo horen hierboven, toch is het vreemd dat het beneden zo warm en zonnig is en hier zo koud en winderig.

‘Als er iets niet goed is tik ik tegen je neus of je wang, oké?’

Ik knik weer.

‘Zullen we het doen?’

Dit is mijn laatste kans om me nog terug te trekken. Om niet te pletter te vallen. Om verstandig te zijn en me niet met een vrouw op mijn rug in het niets te storten. Ik hoef maar te zeggen dat ik het niet wil en ik kan terug naar binnen, naar de relatieve veiligheid van het vliegtuig. Dan maakt Jonne me los en dan gaan we gewoon met het vliegtuigje mee.

‘Wie zwijgt stemt toe,’ schreeuwt ze en dan voel ik een duw in mijn rug, een schok en hoe we voorover koppeltjeduikend het vliegtuig uit tuimelen. Ik wil schreeuwen, gillen en roepen dat ik terug naar binnen wil, maar uit mijn ooghoeken zie ik het vliegtuig verdwijnen.

De enige weg naar beneden is gewoon... Nou ja, naar beneden.

En dan ontspan ik. Het is niet te beschrijven hoe het voelt, hoe het klinkt en zelfs niet hoe het eruit ziet. We vallen eindeloos en lijken te zweven, maar toch ook niet. We lijken te worden gedragen op duizenden onzichtbare vingertoppen en het voelt als een soort orgasme, als dat punt waarop je je lichaam loslaat en de sensatie over je heen voelt buitelen.

Veel te snel voel ik een ruk, hoor ik helemaal niets meer en zie ik boven mijn hoofd de parachute opengaan. Jonne zegt geen woord en laat me genieten van alle indrukken die ik op dit moment opdoe. Pas als ik keihard ‘Woehoe,’ schreeuw, gilt ze in mijn oor: ‘Vet hè!’

Is dit nu adrenaline? Dat gevoel dat je hoofd vol zit met watten, dat je het wel wilt uitgillen en dat je niet kunt geloven dat je écht zojuist uit een vliegtuig bent gesprongen? Ik wil jubelen en ik wil huilen, ik wil nog meer gillen en ik wil alles in me opnemen, maar het is gewoon teveel om het allemaal te verwerken. We zweven veel te snel naar beneden.

‘Pas op,’ hoor ik haar in mijn oor roepen, ‘ik ga je bespringen.’ De bodem komt steeds dichterbij. ‘Begin te rennen als ik het zeg!’ Tien seconden later roept ze ‘nu!’ en probeer ik te doen wat ze me opgedragen heeft. Mijn benen maaien eerst nog door de lucht, dan raken ze de grond, een paar seconden voor Jonnes voeten hetzelfde doen. Ik raak verstrikt in haar benen en voor ik het me realiseer liggen we op de grond en worden we, net als in een slechte film bedekt door de gekleurde stof van de parachute.

Met een paar klikjes zijn we los van elkaar. ‘Dit was zo vet! Zo geweldig! Ik wil nog een keer! Het was zo stil daarboven en...’ Ik kijk naar Jonne. Ze heeft weer die brede lach op haar gezicht. Ik hou het mijne een beetje schuin. ‘Wat nou?’

Ze schudt haar hoofd. ‘Niets, maar het is altijd zo leuk om mensen te zien die voor het eerst gesprongen zijn en die het allemaal zo geweldig vinden. Het is net als de eerste keer seks. Je kunt het daarna nog honderd keer doen, maar die eerste keer vergeet je nooit meer.’

Er kruipt vanuit mijn maag een kriebel omhoog en voor ik weet wat ik doe, heb ik me omgedraaid naar Jonne. ‘Dank je wel dat je me toch hebt laten springen.’ We liggen nog steeds onder het doek van de parachute en zijn totaal uitgelaten door de sprong. Ik laat me meenemen door het moment en wil mijn lippen op haar wang drukken. Wat ik bedoelde als een teken om mijn ‘dankjewel’ extra kracht bij te zetten, verandert in iets anders als zij haar gezicht draait en mijn lippen op haar mond terechtkomen.

Holy shit!

Alsof ik een slag met een moker heb gekregen. Alsof ik toch met mijn hoofd op de grond ben geknald. Alsof ik niet goed wijs ben.

Jonne grinnikt en ik voel haar lach vibreren onder mijn lippen. Misschien is het een goed idee om me nu terug te trekken. Misschien kan ik beter… mijn ogen sluiten. Als Jonne met het puntje van haar tong over mijn onderlip strijkt, dan is er niets dat beter voelt dan mijn ogen dicht houden en me laten meedrijven op die sensatie Misschien is het de nasleep van de sprong, misschien ook wel iets heel anders. Ik kan het niet uitleggen. Het voelt gewoon zo ontzettend goed. Jonne zoent me zachtjes en als ik me nog steeds niet terugtrek, steekt ze een hand uit naar het bovenste knoopje van mijn overall. Wanneer ik ook dáár geen stopteken geef, is het Jonne die zich terugtrekt.

Ik ben beduusd. Overdonderd. Ik heb nog nooit in mijn leven er zelfs maar aan gedacht om een vrouw te kussen. Nu kan ik na een zoen aan niets anders meer denken. Ik kijk naar haar lippen. Zou ik het durven om het nog een keer te doen? Zou ik…

Die prachtige lippen gaan van elkaar. Jonnes mond beweegt en niet zoals ik het wil. Ze buigt zich niet naar me toe en kust me niet, liefkoost me niet met die mooie mond. Nee, ze praat. En wat ze zegt, wil ik eigenlijk helemaal niet horen!




♥ 5. ♥



‘Ze kunnen elk moment komen kijken of alles wel goed is. We liggen al een tijdje hier onder dat doek en eigenlijk had ik allang op moeten staan.’ Er klinkt spijt door in de woorden en Jonnes stem klinkt hees. ‘Luister eens, ik doe dit normaal nooit, maar ik vind jou ontzettend mooi en je bent zo schattig met dat enthousiasme van je. Ik kon me gewoon echt even niet meer bedwingen. Het voelde goed.’

Rationeel gezien zou ik haar een klap in haar gezicht moeten geven en maken dat ik naar haar baas kwam om een klacht in te dienen.

Dit zou ik ook gedaan hebben als Jonne een man was geweest. Aan de andere kant... Het is zo’n geweldig romantisch moment, na de ontlading van de sprong te belanden in ons eigen wereldje onder de parachute.

Als Jonne een man was geweest, had ik hem dan terug gezoend? Had ik dit dan verder laten gaan? Ik weet het niet. Verwarring overspoelt me.

Jonne kijkt me vragend aan.

‘Ik denk dat we hier vanavond verder over moeten praten bij een goed glas wijn,’ zeg ik dan. ‘Maar ik wil wel dat je weet dat ik op mannen val!’ Ik weet niet waarom ik het er zo nadrukkelijk bij vertel. Misschien omdat de kus me toch meer deed dan ik wil toegeven. Misschien omdat ik nu al kriebels in mijn buik heb bij het idee dat we vanavond samen een wijntje drinken. Als Jonne ook wil, natuurlijk. Jonne grijnst. Likt over haar lippen en komt dichterbij.

En dan rukt plots iemand het doek van ons af.

Zonlicht schijnt in mijn ogen en ik zie even niets anders dan het silhouet van een man. Een paar seconden later herken ik Patrick.

‘Is alles goed met jullie?’ Hij ziet er bezorgd uit. En boos. Zeker ook boos. ‘Jonne! Je zou beter moeten weten dan onder de parachute te blijven liggen! Ik zag jullie neerkomen en daarna was er helemaal geen beweging meer. Ik ben als een gek hierheen gekomen, omdat ik dacht dat jullie gewond waren.’ Hij neemt mij aandachtig op. ‘Heb je ergens pijn? Je ademhaling gaat zwaar en je wangen zijn knalrood. Gaat alles goed?’ Het is maar goed dat hij niet weet waar die rode kleur vandaan komt. ‘Schiet op, vouw dat ding op en kom dan mee naar binnen zodat we nog even kunnen napraten.’

Mijn benen trillen nog als ik eindelijk rechtop sta en dat komt écht niet alleen maar omdat ik net uit een vliegtuig ben gesprongen.

‘Laten we ons maar gaan uitkleden,’ zegt Jonne met een glimlach en ik kan me niet voorstellen dat Patrick de seksuele ondertoon van die woorden heeft gemist. Ik in ieder geval niet.

Patrick staat nog steeds met zijn telefoon in zijn handen en typt iets in. ‘Ik laat ze even weten dat er niets aan de hand is. Stap maar alvast in de auto!’

Jonne en ik lopen zwijgend in de richting van de Jeep. Van de stilte word ik een beetje zenuwachtig en ik zeg wat er op mijn hart drukt. ‘Het lijkt me beter dat we hem niets laten merken,’ zeg ik, met een hoofdknikje naar Patrick.

Jonne is het met me eens. ‘Hij zou de rest van de week geen oog meer dichtdoen en wij zouden de rest van het jaar onderwerp van zijn natte dromen zijn.’

Als Patrick na een paar minuten aan de bestuurderskant instapt, proesten we het beiden uit. Het helpt niet dat hij vraagt of hij iets heeft gemist. Hij moest eens weten...

De rest van het ritje terug hangt er een bijna voelbare spanning in de wagen. Volgens mij merkt Patrick het ook op, al geeft hij iets anders blijkbaar de oorzaak. ‘Meestal zijn mensen die net een sprong hebben gemaakt een stuk spraakzamer dan jij, jongedame. Is er iets aan de hand?’

Ik probeer een geruststellende glimlach op mijn gezicht te toveren. ‘Nee, ik ben denk ik gewoon heel erg onder de indruk. Ik moet het allemaal nog verwerken, vrees ik. Ik heb vandaag dingen gedaan die ik nooit van mijn leven verwacht had te doen.’ Ik knipoog stiekem naar Jonne, die doet alsof ze zich verslikt en daarna haar hoofd naar het raam draait om me niet aan te hoeven blijven kijken.

Als de auto stopt, weet Jonne niet hoe snel ze uit de auto moet komen om met grote stappen naar de loods te benen. ‘Plassen!’ is haar verklaring.

Patrick kijkt haar peinzend na. ‘Waar die muts nou weer last van heeft? Ik begrijp echt helemaal niets van jullie. Vrouwen. In het algemeen, niet alleen jullie twee. Ik heb nog nooit iemand zo raar op een sprong zien reageren.’

Zijn woorden gaan het ene oor in en het andere weer uit. Ik knik en doe net of ik aandachtig naar hem luister, terwijl ik eigenlijk door het raampje kijk en wacht tot ik Jonne weer zie. Eindelijk verschijnt ze in de deuropening. Ze lacht ondeugend naar me.

‘Ik moet ook plassen. Nog bedankt voor alles!’ Voor Patrick nog iets kan zeggen, ben ik ook uitgestapt.

‘Waar is het toilet? Ik moet echt heel nodig,’ roep ik naar Jonne en ze wenkt me dat ik achter haar aan moet komen. Als we uit het zicht van Patrick zijn, laat ik me lachend tegen de muur vallen. Jonne doet hetzelfde.

‘Hij weet echt niet waar hij het zoeken moet. Ik hoop dat die baby heel snel komt, want die arme vent overleeft dit niet.’

‘Eigen schuld, had hij die vrouw niet zwanger moeten maken,’ vind ik. Zo simpel is het. We kijken nog stiekem een paar keer om het hoekje en dan beslist Patrick blijkbaar dat hij lang genoeg heeft gewacht en hij rijdt, een stuk harder dan toegestaan, van het terrein af.

‘Zullen we over een uurtje afspreken op het terras van Bracke?’ Mijn stem klinkt iets onzeker. Het is ook helemaal niets voor mij, om maar zo het voortouw te nemen. Ik ben gewend dat een ander dat doet. Tot mijn opluchting knikt Jonne enthousiast en ik vis mijn telefoon uit mijn inmiddels teruggevonden tas om Ellen een bericht te sturen. Vanavond geen Skype.

Jonne kijkt mee over mijn schouder. ‘Ik schop nu toch geen andere plannen in de war? Niet dat er vanavond iemand teleurgesteld thuis zit omdat jij er niet bent?’

Ik schud met mijn hoofd. ‘Je hoeft niet bang te zijn, de enige die teleurgesteld gaat worden vanavond ben jij. Omdat ik zo saai ben dat ik je waarschijnlijk na je eerste glas wijn naar huis heb gejaagd,’ voeg ik er snel aan toe. Waarom weet ik eigenlijk niet, misschien ben ik bang dat ze me echt vind tegenvallen als we gewoon iets gaan drinken, in plaats van uit een vliegtuig te springen.

‘Eerste glas? Je bent nogal wat van plan.’ Ze lacht heel lief naar me en het is duidelijk dat ze een grap maakt om me te laten ontspannen.

Ik begrijp er niets van. Dat rare gevoel dat ik in mijn maagstreek voel en dat helemaal niets met honger te maken heeft. Het lijken wel een stel gestoorde vlinders die zojuist een parachutesprong hebben gemaakt...


In de auto onderweg naar huis ben ik met mijn gedachten niet bij de weg. Pas als een automobilist keihard op zijn claxon ramt, valt het me op dat ik voor de helft op de verkeerde weghelft zit. Ik mompel een verontschuldiging die de goede man natuurlijk helemaal niet kan horen, maar hé, ik had er alle goede bedoelingen bij, en concentreer me verder op de weg voor me. Als ik eenmaal veilig thuis ben, slaak ik een zucht van opluchting.

Veel tijd om me nog om te kleden heb ik niet, dus ik race naar de badkamer, waar ik in de haast van alles omstoot. Opruimen doe ik morgen wel. Ik trek snel alles wat ik nodig heb uit mijn make-uptasje en gooi het neer in de wasbak. Met het borsteltje van de mascara gevaarlijk dicht bij mijn oog, dwalen mijn gedachten toch weer Jonnes kant op.

Wat gebeurde er nu eigenlijk? De sprong was geweldig, maar viel in het niet bij wat er daarna gebeurde. Ik kijk aandachtig naar mijn eigen gezicht in de spiegel. Uiterlijk is er niets anders, maar vanbinnen is er wel degelijk iets veranderd. Had ik nu Ellen maar niet gezegd dat ik andere plannen had. Ik zou haar advies erg goed kunnen gebruiken. Stiekem weet ik wel wat ze zou zeggen, ik ken haar goed genoeg. ‘Je leeft maar één keer! Wat kan het jou schelen wat andere mensen over je denken?’

Het zou helpen als ik wist hoe ik er zelf over denk. Ik had Jonne wel willen vragen of ze op vrouwen valt, maar dat is raar en ook wel discriminerend voor mijn gevoel. Ik bedoel, ik heb mijn vriendjes ook nooit gevraagd of ze wel op vrouwen vielen als ze me een zoen gaven, dus het voelt ongepast om het dan wel aan een vrouw te vragen. Ik heb genoeg vrienden die homoseksueel zijn om te weten hoe het allemaal in elkaar steekt. Toch heb ik nooit aan een van hen gevraagd hoe het eigenlijk ging, die eerste keer dat ze een man zoenden. ‘Heb je toen wel gevraagd of hij op mannen viel of heb je gewoon de gok genomen?’ Ik hoor het me al zeggen...

Niet dat ik ineens denk dat ik lesbisch ben of zo. Maar de kus deed me wel meer dan ik wil toegeven. Als ik me weer concentreer op mijn spiegelbeeld, zie ik mezelf lachen. Mijn lippen een beetje van elkaar, mijn ogen half dicht en een dromerige blik in mijn ogen terwijl het mascaraborsteltje ergens in de lucht voor mijn gezicht zweeft. Als ik niet opschiet, zit Jonne straks in haar eentje in het café. Mijn gefantaseer moet maar tot later wachten.

Nu ik me eindelijk, al dan niet gedwongen, kan concentreren op waar ik mee bezig ben, duurt het amper tien minuten voor ik klaar ben. Een laatste blik op de spiegel en ik ben er klaar voor. Mijn haar zit goed, mijn make-up zit goed en ik heb een uber-vrouwelijk jurkje en mooie hakken aan. Ik maak het plaatje af met wat van mijn lievelingsparfum achter mijn oor en een paar zilveren oorbellen. Zo moet het maar goed zijn. Zelfs bij mijn laatste afspraakje - met een man, denk ik er bewust achteraan - heb ik niet zoveel moeite gedaan.

Ik realiseer me dat ik er behoefte aan heb om er zo goed mogelijk uit te zien. Ik wil niet onder doen voor het ongelofelijk prachtige uiterlijk van Jonne, die zo van de cover van een tijdschrift afgestapt kan zijn. Een tijdschrift over vliegtuigen, dat dan weer wel, maar hoe dan ook, ze is covermodelwaardig.

Ik laat nog even mijn blik door mijn woonkamer schieten en ruim snel wat dingetjes op. De deken over de bank trek ik recht en ik herschik de kussens, zodat ze netjes op een rijtje liggen. Zo kan het ermee door. Mocht Jonne vanavond op een of andere manier hier eindigen, dan hoef ik me in elk geval niet te schamen voor hoe het hierbinnen uitziet.

Inmiddels is de tijd wel gewoon doorgelopen en ben ik bijna te laat. Lekkere indruk zal dat maken...


Zo te zien is Jonne er nog niet, stel ik tevreden vast als ik over het terras heen kijk. Er zijn al veel tafeltjes bezet. Dan hoor ik een bekende stem die me roept.

Jonne zit helemaal aan de overkant van het terras. Geen wonder dat ik haar niet zag. Direct gaat mijn blik over haar lichaam. Ze draagt een jurk en ze heeft sandaaltjes met hakken aan. Als ik dichterbij kom, zie ik dat ze zich ook heeft opgemaakt. Haar staart is verdwenen en haar haren vallen los over haar rug en schouders. Als ik Jonne zo op straat tegen zou komen, zou ik me omdraaien, hetero of niet. Ze heeft ‘iets’.

Ik besef me dat ik haar zit aan te gapen. Het ziet er natuurlijk niet uit, dat ik hier midden op straat sta te staren, dus zet ik mezelf in beweging en manoeuvreer tussen de tafeltjes door, tot ik bij het onze aankom.

‘Ik heb de vrijheid genomen om alvast te bestellen,’ zegt ze en knikt naar de fles wijn met twee glazen die op tafel staat.

‘Toe maar, een hele fles nog wel?’ Ik grinnik.

‘Hopelijk hou je van rood.’ Jonne schenkt mijn glas voor de helft vol. ‘Ik namelijk wel en ik ben van plan deze hele fles soldaat te maken.’


Het blijft niet bij die ene fles. Vier flessen later merkt Jonne met dubbele tong op dat ze echt niet kan geloven dat het al zo laat is. Jonne heeft ’m flink zitten en volgens mij ben ik er niet beter aan toe. Er zijn dagen geweest dat ik vaster op mijn benen heb gestaan.

‘Nou, geloof maar van wel dat het al zo laat is! Kijk dan, er is nergens meer iemand te bekennen.’ Ik maak een weids armgebaar, dat als enige resultaat heeft dat ik bijna van mijn stoel kieper. ‘En die liewwve mannuh hier willen ook naar huis.’ Ik wijs op de ober die zijn afkeuring niet onder stoelen of banken steekt.

‘Wegaannaarmijnhuis,’ besluit ik en ik trek Jonne van haar stoel af. Die giechelt alleen maar wat over dat ze dacht dat ik het nooit zou vragen en laat zich gewillig door me meeslepen het terras over. Na negen minuten, drie keer zo lang als ik er normaal over doe, staan we voor mijn deur. Jonne is nog aanhankelijker dan ze vanmiddag al was. Ze mompelt iets over ‘aantrekkelijk’ en ‘zacht’ en ‘zoenwaardig.’ Ik krijg haar gelukkig zonder veel problemen de drie trapjes voor mijn huis op en daarna loopt ze als een mak schaapje achter me aan naar binnen.

‘Mooi!’ zegt ze en kijkt waarderend naar de grote zilveren spiegel in de gang en naar mijn zelfgemaakte kapstok. Ze kijkt ook langs de trap omhoog waar alle lijstjes met foto’s en concertkaartjes hangen, om vervolgens tegen me aan te kiepen. Waarschijnlijk heeft al het rondkijken haar duizelig gemaakt. Daar sta ik dan. Met een mooie, blonde vrouw in mijn armen en ik heb geen idee wat ik ermee moet.

‘Wil je... Wil je hier logeren of wil je dat ik een taxi bel?’ stamel ik en duw haar ondertussen in de richting van de woonkamer. Als ze out gaat, kan ze dat beter op de bank doen dan midden in de gang.

‘Bblijf jij dan bij me sllapen?’ Jonne praat nog altijd met dubbele tong, maar is plotsklaps een stuk beter te verstaan dan daarnet.

‘Ik leg je op de bank met een deken en als er iets is, dan roep je maar en ben ik zo bij je. Mijn slaapkamer is hier vlak boven.’ Ik geloof niet dat ze heel erg blij is met deze regeling want ze kreunt, al zet ze wel een paar stappen in de richting van de bank. Daar ben ik eigenlijk wel blij mee, want toen ze tegen me op botste zojuist, merkte ik dat Jonne zwaarder is dan ze uitziet en ik heb geen puf om haar te tillen.

‘Nog een klein stukje,’ spreek ik haar bemoedigend toe. We zijn er bijna als ze plots een uitval naar rechts maakt en op de bank ploft. Aan haar grijns te zien is haar beweging verre van onschuldig. Als ik een paar seconden later bovenop haar val en ze me vastpakt met een nog grotere grijns, weet ik zeker dat het geen ongelukje was.

‘Normaal heb ik ze altijd op mijn rug hangen, het is weer eens wat anders dat iemand anders bovenop zit.’ De zin rolt vloeiend uit haar mond. Het lijkt zelfs wel of ze niet eens dronken is. Gezien de hoeveelheid alcohol die nu door haar aderen zou moeten razen is dat onmogelijk.

‘Ik ga je nu op de bank leggen! Trek je kleren uit, want je kunt niet slapen in die jurk.’ Ik probeer streng te klinken in de hoop dat ze meewerkt. Het werkt averechts.

‘Trek jij hem maar uit.’ De slaap maakt haar stem hees. Heel sexy. Even jeuken mijn handen. Het is verleidelijk om het jurkje van haar af te stropen. Toch heb ik haar liever nuchter, zodat ze weet wat ze doet. Dan is er tenminste een van ons die dat weet. Geen getwijfel meer, besluit ik kordaat. Terwijl ik mijn ogen uit respect dichtknijp vinden mijn vingers de rits, die ik opentrek. Het jurkje valt op de grond en ik graai om me heen, trek de deken van de bank en wikkel Jonne erin. Dan laat ik haar weer langzaam op de bank zakken. Ik laat voor de zekerheid een klein lampje aan en sluit de deur zachtjes achter me als ik naar mijn eigen kamer vertrek.

Dit kon wel eens een hele lange nacht worden.




♥ 6. ♥



‘Ik heb alvast twee pilletjes voor je neergelegd op dat tafeltje naast je.’ Ik steek mijn hoofd om de hoek van de woonkamer. Een harde kreun is het enige antwoord dat ik krijg. ‘Je had het best naar je zin gisteren, hè?’ Er vliegt een kussen rakelings langs mijn hoofd. ‘Er staat ook een glas water voor het geval je daar behoefte aan hebt. Je mag ook even douchen. Dat is de beste manier om die kater weg te krijgen.’ Weer een kreun, terwijl ik naar de keuken terugloop.

In de weerspiegeling van de tv kan ik de geschokte uitdrukking van Jonne zien als ze erachter komt dat ze alleen haar lingerie nog aan heeft. Ze kijkt om zich heen en slaakt een gilletje als ze haar jurkje ziet dat als een hoopje stof uit een slechte openingszin op de grond ligt.

‘Heb jij...,’ begint ze. ‘Ik bedoel... Hebben wij...’

Het is niet moeilijk om te raden wat ze wil vragen. Het is wel moeilijk om serieus te blijven als ik zeg: ‘Ja natuurlijk hebben we. Weet je dat niet meer?’ Ik zou er zelf intrappen, zo serieus is mijn pruillip en mijn gespeelde verontwaardiging. Jonne schaamt zich rot volgens mij, want haar wangen kleuren. Om zich een houding te geven, grijpt ze maar naar de pillen en het water.

‘We waren allebei erg van de wereld. Jij net ietsje erger, dus heb ik je geholpen met uitkleden. Maar dat is alles.’ Ik knipoog erbij en zie de spanning van haar afglijden.

‘Zo zeg, wat ben jij een kreng. Ik was al bang dat we een geweldige nacht gehad hadden en dat ik het niet meer wist. Dan zou ik me voor mijn kop slaan, zeg!’ Jonne springt van de bank, zonder zich te bekommeren om hoe ze uitziet of zelfs maar een poging te doen haar jurk aan te trekken. ‘Waar is de badkamer en heb je misschien een tandenborstel voor me, want ik voel me behoorlijk smerig.’

‘Ik loop wel even met je mee, dan kan ik meteen een tandenborstel voor je zoeken. Ik heb vast wel ergens eentje liggen.’ Ik weet niet of ze het expres doet, maar haar billen schudden als ze voor me uit loopt. Mijn ogen lijken een eigen leven te leiden en weigeren het aantrekkelijke beeld los te laten. ‘Hier naar links.’ Ze slaat de hoek om en als ik dat ook doe, bots ik tegen haar op. ‘Het… het spijt me,’ weet ik met neergeslagen ogen uit te brengen. Ik durf niet meer naar Jonne te kijken, iets dat best raar is aangezien ze net in diezelfde lingerie van de bank af kwam.

Jonne lacht alleen maar. ‘Mij spijt het niet.’ Wanneer ik dan toch stiekem omhoog kijk en haar zie knipogen, slaan me helemaal de vlammen uit.


Continue reading this ebook at Smashwords.
Purchase this book or download sample versions for your ebook reader.
(Pages 1-31 show above.)